woensdag 25 september 2019 08:11

Prinsjesdag 2019 en de gevolgen voor iedereen

Bekijk hier de maatregelen en wijzigingen die op iedereen van toepassing zijn na Prinsjesdag 2019.

AOW-leeftijd minder snel omhoog

Een belangrijke afspraak in het pensioenakkoord is het minder snel laten stijgen van de AOW-gerechtigde leeftijd. De wet die dit regelt gaat in op 1 januari 2020.

Pensioenakkoord

Aanpassing van de verhoging van de AOW-leeftijd was een harde eis van de vakbonden bij de onderhandelingen over het pensioenakkoord. Het steeds langer moeten doorwerken zorgt ook voor maatschappelijke weerstand. Het kabinet was uiteindelijk bereid om de verhoging van de AOW-leeftijd minder snel te laten verlopen dan nu in de wet vastligt. In het Pensioenakkoord is afgesproken dat deze aanpassing al in 2020 ingaat. Dat hield in dat de wet met spoed moest wijzigen. Op 2 juli 2019 heeft de Eerste Kamer de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd aangenomen.

De stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Jaar

AOW-leeftijd (huidige stijging)

AOW-leeftijd geldend vanaf 1 januari 2020

Verschil

2019

66 jaar en 4 maanden

66 jaar en 4 maanden

-

2020

66 jaar en 8 maanden

66 jaar en 4 maanden

4 maanden

2021

67 jaar

66 jaar en 4 maanden

8 maanden

2022

67 jaar en 3 maanden

66 jaar en 7 maanden

8 maanden

2023

67 jaar en 3 maanden

66 jaar en 10 maanden

5 maanden

2024

67 jaar en 3 maanden

67 jaar

3 maanden

2025 en verder

Koppeling aan levensverwachting

Elk jaar levenswinst wordt vertaald in 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen.

 

Tip

Bereken uw AOW-leeftijd op de website van de Sociale Verzekeringsbank. Op deze website van SVB berekent u wat de verwachte AOW-leeftijd is.

Deze aanpassingen hebben geen gevolgen voor de pensioenrichtleeftijd. Dit is de leeftijd waarop de fiscale begrenzingen van pensioenregelingen en lijfrenteopbouw zijn gebaseerd. Deze blijft 68 jaar. 

Koppeling AOW aan levensverwachting

Vanaf 2025 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting. Wettelijk ligt vast dat als we gemiddeld een jaar ouder worden we ook een jaar langer moeten werken. Het kabinet wil deze een-op-een koppeling aanpassen. In de wetswijziging die op 1 januari 2020 ingaat is aanpassing van deze koppeling nog niet meegenomen. Het wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld verschijnt waarschijnlijk later dit jaar. Een stijging van de levensverwachting met een jaar zorgt er dan voor dat we acht maanden later AOW ontvangen. Deze maatregel is ook van belang voor werknemers die na 2024 de AOW-leeftijd bereiken.

Het tempo waarmee de AOW-gerechtigde leeftijd stijgt, is van groot belang voor klanten die eerder willen stoppen met werken. Zij hoeven dan een minder lange periode te overbruggen tot zij de eerste AOW-uitkering ontvangen.

De aanleiding van deze wetswijziging is het Pensioenakkoord. Je leest regelmatig dat er veel discussie is over het akkoord en nieuwe eisen van de vakbonden. Dit staat los van de temporisering van de AOW-leeftijd, omdat dit inmiddels in de wet is vastgelegd.

Voorbeeld

Maartje is geboren op 10 september 1970. Zij wil graag stoppen met werken als zij 65 jaar is. Op basis van de huidige wetgeving en de levensverwachting bedraagt haar AOW-leeftijd 69 jaar. Na aanpassing van de wet krijgt Maartje AOW op 68-jarige leeftijd bij dezelfde levensverwachting. Dit betekent een overbrugging van drie in plaats van vier jaar.

 

Tijdelijke oudedagslijfrente

Vanaf 2020 stijgt de AOW gerechtigde leeftijd minder snel. Dit heeft ook gevolgen voor de ingangsdatum van een (tijdelijke) oudedagslijfrente. 

Een tijdelijke oudedagslijfrente is een lijfrente met een minimale uitkeringsduur van vijf jaar en een maximale uitkering van € 21.741 bruto per jaar (2019). De tijdelijke oudedagslijfrente mag niet eerder ingaan dan het jaar waarin iemand de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Ook mag het niet later ingaan dan uiterlijk vijf jaar nadat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt. Als de AOW-gerechtigde leeftijd verandert dan wijzigt dus automatisch ook de vroegste en uiterste ingangsdatum van de tijdelijke oudedagslijfrente.

Let op!

Voor lijfrenteaanspraken die zijn opgebouwd tot 31 december 2013 geldt overgangsrecht. Als een klant voor deze lijfrenteaanspraken een tijdelijke oudedagslijfrente aankoopt dan mag hij deze in laten gaan in het jaar dat hij de 65-jarige leeftijd bereikt.

Voorbeeld

Arjan wordt op 15 september 2019 66 jaar. Hij mag in 2020 zijn tijdelijke oudedagslijfrente in laten gaan. Pas in 2020 bereikt Arjan de AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar en acht maanden.

Rianne wordt op 15 april 2020 66 jaar. Volgens de huidige wetgeving bereikt zij in 2021 de AOW-gerechtigde leeftijd (67 jaar). Op basis van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd is in 2020 de AOW gerechtigde leeftijd 66 jaar en vier maanden. Dat betekent dat Rianne haar tijdelijke oudedagslijfrente al in 2020 mag laten ingaan.

De uiterste ingangsdatum van de tijdelijke oudedagslijfrente is voor Arjan en Rianne allebei 2025. 

Bancaire oudedagslijfrente

Ook voor een bancaire oudedagslijfrente heeft de aanpassing van het tempo waarin de AOW-leeftijd stijgt gevolgen. Als een bancaire oudedagslijfrente ingaat voor de AOW-gerechtigde leeftijd wordt de minimale uitkeringsduur van de lijfrente 20 jaar. Deze periode wordt verhoogd met het aantal jaren dat de lijfrente eerder ingaat. De aanpassing van de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd kan dus ook gevolgen hebben voor de duur van de bancaire oudedagslijfrente. 

Voorbeeld

Arjan en Rianne uit ons vorige voorbeeld kiezen voor een bancaire oudedagslijfrente. Arjan laat zijn lijfrente ingaan op 15 september 2019 als hij 66 jaar is. Hij bereikt pas in 2020 de AOW-gerechtigde leeftijd en daarom moet de bancaire oudedagslijfrente minimaal 21 jaar lopen. Omdat de uitkering ingaat voor de AOW-gerechtigde leeftijd kan Arjan niet kiezen voor de tijdelijke bancaire oudedagslijfrente.

Rianne laat haar bancaire oudedagslijfrente ook ingaan als zij 66 jaar wordt op 15 april 2020. De minimale uitkeringsduur van haar lijfrente is 20 jaar en dus een jaar korter dan de lijfrente van Arjan. Rianne bereikt in 2020 volgens de nieuwe regels de AOW-gerechtigde leeftijd. Rianne kan ook kiezen voor de tijdelijke bancaire oudedagslijfrente met een duur van 5 jaar.

 

Vrijstelling van de RVU-heffing en uitbreiding verlofsparen

Veel werknemers hebben de wens eerder te stoppen met werken. In het Pensioenakkoord zijn daarom een aantal (tijdelijke) maatregelen aangekondigd die dit eenvoudiger moeten maken. Deze maatregelen gaan waarschijnlijk in 2021 in. 

De RVU heffing

In 2006 werd de Wet Vut, Prepensioen en Levensloop ingevoerd. Het uitgangspunt van deze wet was dat werknemers zoveel mogelijk doorwerken tot 65-jarige leeftijd. In dat kader werd de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) fiscaal ontmoedigd. Wilde een werkgever zijn werknemer een uitkering geven zodat hij eerder kon stoppen met werken? Dan moest de werkgever hierover sinds 2006 een boete van 52% pseudo-eindheffing betalen. Bij een RVU denk je bijvoorbeeld aan een VUT-uitkering, maar ook een ontslagregeling in het kader van een reorganisatie kan hier onder vallen.

Voorbeeld

De Laat BV moet om financiële redenen reorganiseren. Zij heeft 3 werknemers in dienst die ouder zijn dan 60 jaar. De Laat BV komt met deze werknemers een ontslagregeling overeen. De werknemers krijgen een eenmalige uitkering waarmee zij de periode tot de pensioendatum kunnen overbruggen. Volgens de Belastingdienst is sprake van een RVU en moet De Laat BV een extra heffing betalen van 52% over de ontslaguitkering.

In het Pensioenakkoord is afgesproken dat de werkgever de RVU-heffing van 52% tijdelijk niet hoeft te betalen. De uitkering moet dan wel voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De werknemer stopt maximaal drie jaar voor zijn AOW-leeftijd met werken.
  • Het uitkeringsbedrag is minder dan € 19.000 per volledig jaar.

De tijdelijke vrijstelling van de RVU-heffing geldt tot en met 2025. Als een werknemer minder dan 3 jaar voor zijn AOW-leeftijd uittreedt dan wordt het heffingsvrije bedrag naar rato aangepast.

Is de RVU hoger dan € 19.000? Dan betaalt de werkgever over het meerdere een boete van 52%. In de Kamerbrief principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel benadrukt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de RVU tot stand komt op basis van wederzijdse vrijwilligheid van werkgever en werknemer. Beiden moeten het dus eens zijn met het vertrek van de werknemer en de vergoeding die hij ontvangt.

De tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing moet het voor werknemers met een zwaar beroep eenvoudiger maken om eerder te stoppen met werken. In hoeverre deze maatregel ook echt leidt tot meer werknemers die eerder stoppen is nog maar de vraag. Allereerst moet de werkgever bereid zijn de werknemer een uitkering te geven. Daarnaast moet de uitkering hoog genoeg zijn om eerder stoppen aantrekkelijk te maken. Een uitkering van € 19.000 per jaar kan leiden tot een grote inkomensterugval. De ingangsdatum van het pensioen vervroegen is daarvoor niet altijd de oplossing. Dit leidt tot een actuariële herrekening van de uitkering en daarmee tot een lager pensioen.

Voorbeeld

Martine is 64 jaar oud als zij per 1 januari 2021 gebruik maakt van een regeling voor vervroegd uittreden van haar werkgever. Zij ontvangt de drie jaar tot aan haar AOW-leeftijd een uitkering van haar werkgever van € 15.000 per jaar. De werkgever hoeft nu geen RVU-heffing van 52% over de uitkering af te dragen. Wel wordt de uitkering gezien als loon uit vroegere dienstbetrekking en moet de werkgever loonbelasting inhouden en afdragen over de uitkering. Martine ontvangt dus een netto-uitkering.

Tip

De meeste pensioenregelingen kennen verschillende flexibiliseringsmogelijkheden die je klant kan inzetten om eerder te stoppen met werken. Zo kan hij vaak kiezen voor een hoog-laag uitkering, voor uitruil van partnerpensioen in ouderdomspensioen en voor deeltijdpensioen. Aan alle alternatieven zitten voor- en nadelen. Bespreek de mogelijkheden en de gevolgen met je klanten. 

Verlofsparen

Een andere manier om eerder te kunnen stoppen met werken is sparen. Een werknemer kan een bedrag opzij leggen, maar hij kan ook verlofsparen om eerder te stoppen met werken. De minister wil werknemers de mogelijkheid bieden om zonder fiscale gevolgen extra verlof te sparen om eerder met werken te kunnen stoppen.

Werkgevers en werknemers kunnen in een cao afspraken maken over het opsparen van vakantiedagen om eerder met pensioen te kunnen. Fiscaal is dit nu mogelijk tot maximaal 50 weken. Als de werknemer meer dan 50 weken verlof spaart om eerder met pensioen te gaan dan is volgens de Belastingdienst sprake van een RVU, waardoor er sprake is van een extra heffing van 52%.

Werknemers krijgen in de toekomst de mogelijkheid om 100 weken verlof op te sparen om eerder te stoppen met werken. Dit houdt in dat werknemers dus een jaar eerder met pensioen kunnen ten opzichte van de huidige regelingen. Hiermee krijgen werkgevers en werknemers ruimere mogelijkheden om in het arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken te maken over het sparen van bovenwettelijk verlof.

 

Verruiming werkkostenregeling

Zoals eerder aangekondigd wordt de werkkostenregeling (WKR) in 2020 verruimd. Via de werkkostenregeling kunnen werkgevers onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kerstpakketten en bedrijfsuitjes. In het huidige stelsel bedraagt deze vrije ruimte maximaal 1,2% van de totale loonsom. 

Uit een evaluatie van deze werkkostenregeling blijkt dat vooral mkb-ondernemingen met lage lonen en/of veel parttimers de huidige vrije ruimte als te klein ervaren. Bij overschrijding van de vrije ruimte loopt de werkgever het risico op een eindheffing van 80%.

Het kabinet stelt voor om de vrije ruimte in twee schijven te verdelen:

  • Een vrije ruimte tot een totale loonsom van € 400.000 van 1,7%.
  • Een vrije ruimte vanaf een totale loonsom van € 400.000 van 1,2%.

Dit betekent bij een loonsom van € 400.000 dat werkgevers in de nieuwe situatie € 6.800 onbelast beschikbaar kunnen stellen. In de huidige situatie is dit € 4.800. 

Tweede maatregel

Een tweede voorgenomen maatregel heeft betrekking op de kosten voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Als een werkgever de kosten voor de aanvraag van een VOG aan de werknemer vergoedt, telt deze vergoeding niet meer mee in de vrijstelling van de werkkostenregeling. 

Overige

Als een werkgever de vrije ruimte overschrijdt, moet hij in het huidige stelsel de eindheffing aangeven in het eerste aangiftetijdvak loonbelasting van het volgende kalenderjaar. Op verzoek van werkgevers wil het kabinet de aangiftetermijn verlengen tot uiterlijk het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar.

In de huidige regeling mag de werkgever 20% korting geven op producten uit het eigen bedrijf. Tot nu toe baseert de werkgever de waarde van deze producten op hetgeen hij ook aan derden in rekening brengt. Het kabinet stelt voor om de waarde van de producten uit eigen bedrijf vast te stellen op de waarde in het economisch verkeer.Dit zal meestal de consumentenprijs zijn. De werkgever mag dus niet meer zelf de waarde bepalen. De vrijstelling voor de WKR is 20% met een maximum van € 500 per werknemer per kalenderjaar.

Let op!

Naar verwachting is het effect van deze verruiming voor kleine werkgevers relatief het grootst.

 

Vervanging Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)

Al enige tijd zijn de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën bezig met het uitwerken van maatregelen over de arbeidsrelaties van zzp’ers. De invoering van de Wet DBA (en daarmee de afschaffing van de verklaring arbeidsrelaties) heeft op dit gebied veel onduidelijkheid veroorzaakt. De onduidelijkheid en de daarbij behorende onzekerheid zal nog tot 1 januari 2021 voortduren. 

Op 24 juni 2019 presenteerden minister Koolmees en staatssecretaris Snel hun kamerbrief met daarin een voortgangsrapportage over de vervanging van de Wet DBA. De nieuwe wetgeving gaat waarschijnlijk in per 1 januari 2021. In de behandeling wordt een onderscheid gemaakt tussen de zzp’er werkzaam aan de onderkant van de arbeidsmarkt(dit is de zzp’er met een opdrachtgeversverklaring) en de zzp’er met een zelfstandigenverklaring. Enkele verrassende zaken uit deze kamerbrief. 

Minimumtarief voor zzp’ers

Ter bescherming van zzp’ers die werkzaam zijn aan de onderkant van de arbeidsmarkt komt er een minimumuurtarief van € 16. Dit minimumtarief geldt voor alle zzp’ers, ongeacht of ze voor particuliere of zakelijke opdrachtgevers werken.

Zakelijke opdrachtgevers worden medeverantwoordelijk voor de betaling van dit tarief. Als uit de nacalculatie blijkt dat een zzp’er meer tijd aan een opdracht besteedde, waardoor het uurtarief onder het minimum daalt, moet de opdrachtgever bijbetalen.

Een opdrachtnemer dient dus zowel vooraf (middels een offerte) als achteraf een calculatie aan te leveren om te beoordelen of hij voldoet aan dit minimumtarief.

Met het minimumuurtarief wil de overheid voorkomen dat zelfstandigen tegen een te laag tarief werken. Daarnaast moet dit minimumuurtarief bijdragen aan het kiezen voor inhuur van zelfstandigen om de juiste reden. Immers, het verschil in kosten tussen werknemers en zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt door invoering van dit tarief verkleind. 

Zelfstandigenverklaring

In het regeerakkoord staat dat er voor zelfstandige ondernemers door een zelfstandigenverklaring, een opt-out van de loonheffingen en de werknemersverzekeringen komt. Het doel van deze maatregel is om zzp’ers aan de bovenkant van de arbeidsmarkt en hun opdrachtgevers zekerheid te bieden dat er géén sprake is van een dienstbetrekking. Aanvullend hierop is in de kamerbrief het voorstel opgenomen om de reikwijdte van de opt-out uit te breiden waardoor een werkende zzp’er geen aanspraak kan maken op loondoorbetaling bij ziekte, ook als achteraf blijkt dat er toch sprake is van een werknemersrelatie.

Voor het gebruik van de zelfstandigenverklaring gelden de volgende voorwaarden:

  • In de overeenkomst van de opdracht moet opgenomen zijn dat partijen geen arbeidsovereenkomst willen sluiten.
  • De arbeidsbeloning bedraagt minimaal € 75 per uur (2019).
  • De overeenkomst wordt aangegaan voor maximaal één jaar.
  • De opdrachtgever en de opdrachtnemer ondertekenen beiden de zelfstandigenverklaring.
  • De opdrachtnemer moet bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staan.

Opdrachtgeversverklaring en webmodule

Sinds de invoering van de Wet DBA geven opdrachtgevers en zzp’ers aan dat onvoldoende duidelijk is in welke gevallen er geen sprake is van een dienstbetrekking. Het kabinet werkt daarom aan een webmodule met een aantal vragen gebaseerd op wetgeving en jurisprudentie. Op basis van de antwoorden op deze vragen kan vooraf worden vastgesteld dat er géén sprake is van een dienstverband.

In dat geval zal de webmodule een opdrachtgeversverklaring produceren. Hiermee heeft een opdrachtgever vooraf zekerheid dat hij geen loonheffing hoeft in te houden en af te dragen. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

De opdrachtgeversverklaring is geldig voor zover de webmodule naar waarheid is ingevuld en de werkzaamheden in de praktijk hierop aansluiten.

 

Wet Arbeidsmarkt in Balans

Op 1 januari 2020 treedt de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) in werking. Deze wet maakt diverse financiële maatregelen van kracht waarmee het kabinet werkgevers wil aanmoedigen om werknemers in vaste dienst te nemen. Daarnaast moet de WAB flexwerkers meer zekerheid geven op werk en inkomen. 

Met de WAB past het kabinet onderdelen uit de in 2015 ingegane Wet Werk en Zekerheid aan.

De WAB voert aanpassingen door op het gebied van:

  • flexibele arbeid;
  • het ontslagrecht;
  • de WW.

Flexibele arbeid

De invoering van de WAB breidt de standaard maximale duur van een tijdelijk dienstverband uit van 2 naar 3 jaar. In deze periode mag een werkgever de werknemer maximaal 3 tijdelijke contracten aanbieden. Wordt binnen de periode van 3 jaar toch een vierde contract aangeboden, dan kan dit vierde contract uitsluitend een vast contract worden.

De pauzetermijn tussen opeenvolgende contracten waarbij de keten niet wordt doorbroken (de ketenbepaling), blijft 6 maanden. Het is mogelijk om de pauze tussen een keten tijdelijke contracten per cao te verkorten van 6 naar 3 maanden. Dit laatste is kan alleen in alle gevallen waarin de aard van de werkzaamheden dit noodzakelijk maakt en de werknemer de werkzaamheden maximaal 9 maanden per jaar uitvoert (bijvoorbeeld bij seizoensarbeid).

Voor invalkrachten in het primair en/of speciaal onderwijs die tijdelijk invallen vanwege ziekte geldt de ketenbepaling niet. Zij kunnen dus meerdere contracten achter elkaar werken zonder dat er sprake is van een vast dienstverband.

Oproepovereenkomsten

Een werkgever moet een oproepkracht minstens 4 dagen van tevoren oproepen. Wijzigt of annuleert hij de oproep binnen deze vier dagen, dan heeft de oproepkracht recht op loon over de oorspronkelijke oproepperiode. Na een dienstverband van 12 maanden moet de werkgever de oproepkracht een dienstverband aanbieden voor minimaal het gemiddeld aantal gewerkte uren over het afgelopen jaar.

Payrolling

Met invoering van de WAB krijgt payrolling een eigen omschrijving in de wet. Daardoor is dit niet meer gelijk aan uitzenden. Payrollmedewerkers krijgen zo dezelfde arbeidsvoorwaarden als de medewerkers van de opdrachtgever, maar wel met uitzondering van pensioen. Het payrollbedrijf krijgt tot 1 januari 2021 de tijd om voor de payrollmedewerkers een adequate pensioenregeling op te zetten.

Ontslagrecht

Cumulatiegrond

De wet kent meerdere gronden voor ontslag. Deze gronden worden nu individueel gewogen en zijn alleen zelfstandig reden voor ontslag. De invoering van de WAB maakt het optellen (cumuleren) van ontslaggronden mogelijk. Hierdoor kunnen twee afzonderlijke gronden samen wellicht een reden voor ontslag zijn als deze gronden dat individueel gezien onvoldoende zijn.

In een aanvaarde motie heeft de Eerste Kamer uitgesproken dat ontslag als gevolg van werkweigering in verband met gewetensbezwaar géén onderdeel kan zijn van de cumulatiegrond.

Transitievergoeding

Ook de transitievergoeding wordt aangepast. Het recht op een transitievergoeding ontstaat vanaf 1 januari 2020 vanaf de eerste dag van het dienstverband, en niet pas na 24 maanden. Ook de opbouw verandert. Een opbouw van 1/3 maandsalaris per dienstjaar wordt de basis voor het gehele dienstverband.

Kleine werkgevers die hun bedrijf beëindigen vanwege hun pensionering of eventuele ziekte krijgen een compensatie als ze bij deze beëindiging een transitievergoeding betalen. Dit wordt verder uitgewerkt in aanvullende regelgeving (wel met ingangsdatum 01 januari 2020).

Opleidingskosten voor herplaatsing van een medewerker binnen de eigen organisatie mag de werkgever in mindering brengen op de transitievergoeding.

WW

De hoogte van de werkgeverspremie van de WW wordt op andere gronden bepaald. De werkgever betaalt vanaf 2020 een hoge premie voor werknemers met een flexibel contract en een lage premie voor werknemers met een vast contract.

Door verkleining van de verschillen tussen vaste en tijdelijke arbeidscontracten en het financieel voordeel van de lagere WW-premie, maakt de WAB het voor werkgevers aantrekkelijker om werknemers een vaste baan aan te bieden. Werknemers krijgen hierdoor meer zekerheid. Daarnaast blijft flexwerken mogelijk. 

Voorbeeld

Joke treedt op 1 februari 2020 in dienst bij een nieuwe werkgever. Ze krijgt een contract voor een half jaar. Haar contract wordt na dat half jaar verlengd tot 1 maart 2021, gevolgd door een contract tot 1 maart 2022. Ondanks het feit dat Joke pas 25 maanden werkzaam is bij deze werkgever, moet zij bij verlenging van het dienstverband op 1 maart 2022 toch een vast contract krijgen omdat dit het vierde contract betreft.

 

Maatregelen woningmarkt

Het kabinet komt met maatregelen en plannen om de krapte op de woningmarkt aan te pakken. Er komt geld beschikbaar om woningen te bouwen, de stijging van de huurprijzen wordt aan banden gelegd en er zijn plannen om de scheefhuur aan te pakken.

De vraag naar woningen steeg door o.a. de bevolkingsgroei, het groeiend aantal eenpersoonshuishoudens, de lage rente en gestegen inkomens. Tijdens de crisis zijn er te weinig woningen gebouwd, een inhaalslag is nodig. De Nationale woonagenda wil jaarlijks 75.000 extra woningen bouwen, maar dit is geen eenvoudige opgave. Denk aan bijvoorbeeld de capaciteit in de bouwsector en bij gemeenten, de (financiële) haalbaarheid van bestaande plannen en de aanwezigheid van voldoende nieuwe realiseerbare bouwplannen. Hierdoor is er een groot tekort aan vrijesectorhuurwoningen en aan sociale huurwoningen.

Zeker in de grote steden is het aanbod van betaalbare midden-huurwoningen beperkt. De vraag en daarmee de prijzen zijn hier het hoogst. Het kabinet neemt de volgende maatregelen: 

2 miljard euro om de woningbouw te stimuleren

Dit geld gebruikt het kabinet om betaalbare woningen te bouwen en om de verhuurdersheffing omlaag te krijgen. Door de korting op deze heffing ontstaat meer financiële ruimte voor gemeenten in schaarste gebieden om te investeren in de nieuwbouw van huurwoningen. Starters en middeninkomens moeten kunnen profiteren van deze financiële impuls. Het kabinet gaat gemeenten en woningcorporaties stimuleren om sneller en meer betaalbare woningen te realiseren. Hierdoor krijgt de woningbouw een impuls van € 1 miljard om het woningtekort in te lopen en de bouwproductie hoog te houden. De woningbouwimpuls moet bijdragen aan betaalbare woningbouw en het oplossen van knelpunten. Denk daarbij aan uitplaatsing van bedrijven, het direct bereikbaar maken van een nieuwe wijk of het opvangen van de gevolgen van de stikstofuitspraak. Daarnaast maakt het Rijksvastgoedbedrijf, samen met gemeenten, beschikbare rijksgronden klaar voor woningbouw.

Flexwoningen

Minister Ollongren wil werk maken van de bouw van grote aantallen tijdelijke huurhuizen. Woningcorporaties die deze woningen laten bouwen hoeven hierover geen belasting (verhuurdersheffing) te betalen. Jaarlijks moeten er zo'n 15.000 zogenoemde flexwoningen verrijzen. Het kabinet hoopt zo gemakkelijker het bouwtempo van 75.000 huizen per jaar te kunnen halen. 

Huren

De toegankelijkheid van de koop- en huurmarkt moet verbeteren. In het Sociaal Huurakkoord zijn afspraken gemaakt over de aanpassing van de jaarlijkse maximale gemiddelde huurverhoging van woningcorporaties.

De huur is gekoppeld aan de WOZ-waarde. Omdat de woningprijzen fors stijgen gaan ook de huren hard omhoog. Het kabinet besloot dat de WOZ-waarde voor een kleiner deel gaat meetellen bij de berekening van de huurprijs. Hierdoor neemt de betaalbaarheid van sociale huurwoningen toe.

Ook kijkt het kabinet naar het inkomen. Zo verhoogt ze de inkomensgrens van een meerpersoonshuishouden om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning naar 42.000 euro. De grens voor eenpersoonshuishoudens gaat omlaag naar 35.000 euro. Daarnaast vergroot ze de ruimte voor woningcorporaties voor lokaal maatwerk waardoor ook lage middeninkomens voor een sociale huurwoning in aanmerking komen.

Tenslotte wordt gekeken naar mogelijkheden om excessieve huurprijzen en -stijgingen tegen te gaan door een balans te vinden tussen instrumenten voor gemeenten om de woningvoorraad te beschermen en de mogelijkheden voor partijen in de markt om woningen te blijven bouwen. 

Scheefwonen

Het kabinet heeft plannen om de huren sneller te laten stijgen voor huishoudens met een hoog (midden)inkomen, zodat deze huishoudens een passende huur gaan betalen voor hun woning. Naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet vereenvoudigt de regelgeving voor corporaties , zodat zij hun maatschappelijke taken op dit gebied beter kunnen vervullen.

Woningcorporaties kunnen huurders met een hoger inkomen die in een sociale huurwoning wonen een huurverhoging van 50 tot 100 euro geven. Ook kunnen woningcorporaties straks gemakkelijker een woning aan mensen met middeninkomens en zittende huurders verkopen.

Beleggers weren van de woningmarkt

Het kabinet wil starters beschermen tegen beleggers die woningen uit de markt halen voor de verhuur. Het kabinet bestudeert de volgende maatregelen:

  • Onderzoek naar een plicht voor zelfbewoning.
  • Beperken van de Loan to Value van de verhuurde woningen.
  • Differentiatie in de overdrachtsbelasting, bijvoorbeeld starters 0% en beleggers 6%.
  • Het zwaarder belasten van verhuurhypotheken in box 3.

Tip

Het is duidelijk dat er in de politiek breed draagvlak is voor ingrijpen in de markt. Dit heeft gevolgen voor het besteedbaar inkomen van huurders, de mogelijkheden en kosten voor beleggers en de demping van prijsstijgingen. De adviseur dient de ontwikkelingen op de voet te volgen.

 

Belastingrente bij erfbelasting

In sommige situaties worden belastingplichtigen geconfronteerd met belastingrente omdat de aangifte niet tijdig is ingediend. In bepaalde gevallen is aangifte gewoonweg niet mogelijk omdat bijvoorbeeld de erfgenamen nog niet vaststaan. In dat geval wordt de termijn voor het berekenen van de belastingrente opgeschort 

Let op!

De belastingrente voor de erfbelasting bedraagt op dit moment 4%. Dit is aanzienlijk hoger dan de gemiddelde spaarrente. Probeer belastingrente te voorkomen door tijdig een aangifte of verzoek om een voorlopige aanslag in te dienen.

Sinds 1 januari 2019 hoeft je in bepaalde situaties geen belastingrente te betalen over de aanslag erfbelasting. Voorwaarde is dat het verzoek tot voorlopige aanslag of de aangifte binnen acht maanden na het overlijden wordt gedaan. Dit is de aangiftetermijn die geldt als hoofdregel bij een verkrijging in verband met een overlijden. Daarnaast moet de (voorlopige of definitieve) aanslag erfbelasting worden vastgesteld conform dat verzoek of die aangifte.

Het kabinet stelt voor om deze regeling uit te breiden tot aanslagen erfbelasting. Daarbij vangt de termijn voor het indienen van de aangifte op een ander moment aan dan op de dag van het overlijden of de termijn wordt opgeschort.

Het kabinet noemt een aantal situaties waar dit het geval kan zijn. Bijvoorbeeld in het geval waarin onzekerheid bestaat omtrent de persoon van de erfgenaam, de heffing van de belasting door zwangerschap, onbeheerde nalatenschappen waarvoor nog geen vereffenaar is benoemd of verkrijgingen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde (tweetrapsmaking). 

Voorbeeld

Evert is in januari overleden. Vlak na de begrafenis ontdekt zijn echtgenote Manon dat zij zwanger is van hem. Als het kind straks levend ter wereld komt, zal die ook erfgenaam zijn van Evert. De nalatenschap kan dan ook pas na de geboorte worden vastgesteld. Daarna kan er aangifte worden gedaan. Dat is dus niet binnen de reguliere 8 maanden. Voor Manon zal de termijn voor het indienen van de aangifte erfbelasting worden opgeschort.

 

Stijging zorgpremie en wijzigingen in de zorgverzekeringen

De premie voor de basiszorgverzekering stijgt in 2020 naar verwachting met € 3 per maand. Om deze premiestijging te compenseren, gaat de zorgtoeslag omhoog. De collectieve korting voor de basisverzekering halveert tot maximaal 5% en de dekking van het basispakket breidt uit. 

Premie en zorgtoeslag

Het kabinet begroot de stijging van de zorgpremie op ongeveer € 3 per maand. Dit is een gevolg van de stijgende zorgkosten. De stijging is een indicatie, omdat zorgverzekeraars zelf de hoogte van de premie bepalen. Uiterlijk 12 november moeten de zorgverzekeraars de premies voor volgend jaar bekend maken. De nominale premie voor de basisverzekering komt in 2020 uit op ongeveer € 118 per maand.

De zorgtoeslag stijgt om de laagste inkomens te compenseren. De exacte bedragen van de zorgtoeslag per inkomensschaal zijn nog niet bekend gemaakt. 

Collectieve korting

Ongeveer twee derde van alle Nederlanders heeft een collectieve verzekering. Zoals vorig jaar al aangekondigd, daalt de collectieve korting op de basisverzekering van 10% naar 5%. Daarmee wordt de basisverzekering voor deze groep mensen in 2020 op jaarbasis € 60 tot € 84 duurder.

Eigen risico

Het verplichte eigen risico is gefixeerd en blijft in 2020 € 385. Zorgverzekeraars mogen voor sommige programma′s voor ketenzorg, zoals ‘stoppen met roken’, een verminderd eigen risico in rekening brengen. Zij zijn dit echter niet verplicht. Vanaf 1 januari 2020 ontstaat die verplichting wel voor het ‘stoppen met roken’ programma. Voor dit programma geldt dan geen eigen risico meer. 

Dekking basispakket

Het merendeel van de wijzigingen van het basispakket per 2020 was eerder dit jaar al bekend. Een aantal dekkingen zijn definitief. Een aantal andere dekkingen zijn nog voorwaardelijk. We zetten de uitbreidingen voor je op een rij. 

Definitief toegelaten:

  • Logeervergoeding
    In 2020 komt er een logeervergoeding voor mensen die ver van huis meerdere dagen achter elkaar een behandeling krijgen, maar niet zijn opgenomen in een ziekenhuis of instelling.
  • Uitbreiding vervoer
    Verzekerden die gebruik maken van geriatrische revalidatiezorg (zorg voor kwetsbare ouderen met als doel om hen te helpen terug te keren naar de thuissituatie) worden met naam genoemd als groep die recht heeft op vergoeding van vervoer. Zij krijgen nu vergoeding op basis van de ‘hardheidsclausule’.
  • Specialist ouderengeneeskunde en arts verstandelijk gehandicapten
    Per 1 januari 2020 wordt de geneeskundige zorg door de specialist ouderengeneeskunde en de arts verstandelijk gehandicapten opgenomen in het basispakket. Dit moet bijdragen aan het verminderen van complicaties en crisisopnames. Deze zorg krijgt de naam ’geneeskundige zorg voor specifieke groepen’.
  • Geneesmiddelen
    In 2020 wijzigt de vergoeding van apotheekbereidingen van medicijnen. Als een middel niet wordt toegelaten tot het pakket vanwege te hoge kosten, is er wel een vergoeding voor de apotheekbereiding. Dit geldt alleen als de apotheekbereiding een acceptabele prijs heeft of als overbruggingsperiode, wanneer er nog geen besluit is genomen over de vergoeding van het middel.
  • Soorten medicijnen
    Per 1 september is er ook een vergoeding voor twee nieuwe medicijnen tegen kanker en een medicijn tegen MS. Nieuwe geneesmiddelen die ziekenhuizen gebruiken, worden in beginsel zonder bijzondere verdere afspraken toegelaten tot het basispakket. Hele dure medicijnen komen in de ‘sluis’. Dat betekent dat het middel niet direct wordt opgenomen in het basispakket, zodat de Minister een lagere prijs kan uitonderhandelen met de leverancier.

Voorwaardelijk toegelaten:

  • CardioMEMS
    Vanaf 1 april 2019 wordt een nieuwe behandeling bij chronisch hartfalen voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket. Het gaat om CardioMEMS, een draadloos sensor- en communicatiesysteem dat informatie over de patiënt naar de cardioloog stuurt. Alleen patiënten met chronisch hartfalen in combinatie met regelmatige opnames in het ziekenhuis krijgen de vergoeding. Het eigen risico is van toepassing.
    De dekking geldt voor vier jaar en alleen voor patiënten die deelnemen aan het onderzoek dat de effectiviteit en kosteneffectiviteit van CardioMEMS moet bepalen.
  • Fysiotherapie bij twee soorten reuma
    Vanaf 1 oktober 2019 wordt fysiotherapie voor patiënten met reumatoïde artritis en patiënten met axiale spondyloartritis voorwaardelijk toegelaten tot het basispakket via de subsidieregeling voor veelbelovende zorg. Deze voorwaardelijke toelating is voor een periode van vier jaar. De vergoeding geldt vanaf behandeling 21 en het eigen risico is van toepassing. De eerste 20 behandelingen worden ook vergoed, maar uit een aparte een subsidieregeling. Daardoor is op deze behandelingen het eigen risico níet van toepassing.
    De dekking geldt voor vier jaar en is onderdeel van twee onderzoeken naar fysiotherapie bij deze vormen van reuma. Op basis van dit onderzoek wordt gekeken of de zorg definitief in het basispakket wordt opgenomen.

Overige:

  • KI met donorzaad zonder medische indicatie
    Op grond van de Zorgverzekeringswet is het niet mogelijk om behandelingen te vergoeden zonder medische indicatie. De minister stelt dat kunstmatige inseminatie met donorzaad (KID) voor lesbische paren en alleenstaande vrouwen daarom niet onder de vergoedingen valt.
  • NIPT
    De huidige regeling ten aanzien van de niet invasieve prenatale test (NIPT) wordt in 2020 verlengd. Voor de NIPT geldt een eigen betaling van €175. De subsidieregeling voor de NIPT staat los van het zorgverzekeringspakket.

Let op!

Op de genoemde vergoedingen is wél het verplichte en vrijwillige eigen risico van toepassing. 

Dekking WLZ

Mensen die hun leven lang intensieve geestelijke gezondheidszorg (ggz) nodig hebben, krijgen vanaf 2021 toegang tot de Wet langdurige zorg (Wlz), mits zij voldoen aan de bestaande Wlz-toegangscriteria. Op dit moment wordt verblijf in een ggz-instelling met psychiatrische behandeling de eerste drie jaar gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Patiënten krijgen zo zekerheid dat samenhangende zorg voor de lange termijn is geregeld. Ze hoeven niet steeds opnieuw aan te tonen dat ze intensieve geestelijke gezondheidszorg nodig hebben. Mensen met een psychische stoornis krijgen zo dezelfde behandeling als mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap.

Het wetsvoorstel is op 9 juli 2019 aangenomen door de Eerste Kamer.

Voorbeeld

Margriet heeft reumatoïde artritis en krijgt langdurige actieve fysiotherapie, omdat ze ernstige functionele beperkingen heeft. Margriet neemt deel aan het onderzoek naar fysiotherapie bij deze vorm van reuma. Margriet krijgt 2 keer per week fysiotherapie vanaf 1 oktober 2019. Dit zijn 26 behandelingen in 2019.

De speciale subsidieregeling vergoedt 20 van deze behandelingen. De zorgverlener declareert de kosten rechtstreeks via deze subsidieregeling. Margriet betaalt géén eigen risico.

De overige 6 behandelingen komen uit de basisverzekering. Het eigen risico is van toepassing voor zover Margriet deze nog niet heeft verbruikt.

De behandelingen worden voortgezet in 2020 en komen dan uit de basisverzekering. Het eigen risico van 2020 is dan van toepassing.

 

Overgangsregeling voor saldolijfrenten van vóór 2001

Sinds de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 bestaat er een overgangsregeling voor saldolijfrenten (lijfrenten waarvoor de premies geheel of gedeeltelijk niet aftrekbaar waren) die vóór 2001 reeds waren afgesloten.

De overgangsregeling geeft aan dat deze polissen per 1 januari 2021 overgaan van box 1 naar box 3. Tevens is afgesproken dat direct voorafgaand aan deze overgang de polishouder 45% belasting moet betalen over de waarde van de polis minus eventuele niet-afgetrokken premies.

Het kabinet stelt voor om voor deze overgangsregeling een onderscheid te maken tussen:

  • Lijfrenten waarvan de premies geheel niet aftrekbaar waren (zgn. zuivere saldolijfrenten).
  • Lijfrenten waarvan de premies gedeeltelijk aftrekbaar waren (zgn. hybride saldolijfrenten).

De afrekenverplichting geldt alleen voor lijfrenten waarvoor geen premieaftrek heeft plaatsgevonden. Een hybride saldolijfrente moet bij afrekening gesplitst worden in een deel dat in box 1 blijft en een deel dat naar box 3 gaat. Voor het gedeelte van de lijfrente waarvoor wel premieaftrek mogelijk was, wordt het overgangsrecht niet beëindigd en geldt geen afrekenverplichting. Dit is onwenselijk. Het kabinet stelt dan ook voor om de overgangsregeling voor de hybride saldolijfrenten niet te beëindigen. Op deze wijze vindt de heffing over de uitkeringen in box 1 plaats op het moment dat de uitkeringen ook daadwerkelijk worden genoten. In de uitkeringsfase kan men gebruik maken van de saldomethode. Het kabinet wil hiermee een vereenvoudiging bereiken voor de uitvoering van de regeling door de Belastingdienst. Tevens wil ze hiermee een vermindering van de administratieve lasten voor belastingplichtigen en verzekeraars bereiken.

Het kabinet wil ook het overgangsrecht niet beëindigen voor buitenlandse pensioenrechten die vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenrechten en bestemd zijn als oudedagsvoorziening.

De overgangsregeling inclusief de afrekenverplichting blijft in het voorstel niet bestaan voor de zuivere saldolijfrenten. Het kabinet geeft aan dat deze lijfrenten nooit voldaan hebben aan de regels en voorwaarden die gelden voor fiscaal gefaciliteerde toekomstvoorzieningen. Daarnaast geldt voor veel van deze producten dat de uitkeringsfase doorgeschoven kan worden naar de toekomst, en ook naar volgende generaties. Dit doorschuiven zou ook een doorschuiving van de heffing in box 1 betekenen.

Meer weten over de gevolgen van Prinsjesdag 2019?

Heeft u vragen of wenst u meer informatie over de gevolgen van Prinsjesdag 2019? Neem dan contact op met Honig en Honig en bel 072-5642669 of mail uw vraag naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Bronnen: Rijksoverheid, Aegon, Nationale Nederlanden en Dukers & Baelemans

Laatst aangepast op woensdag 25 september 2019 15:14