woensdag 25 september 2019 08:29

Prinsjesdag 2019 en de gevolgen voor ondernemers

Bekijk hier de maatregelen van Prinsjesdag 2019 die betrekking hebben op ondernemers.

Verhoging AB-tarief box 2

Het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt nu belast nu tegen 25%. In 2020 verhoogt het kabinet het box 2-tarief. De tariefsopbouw ziet er als volgt uit:

  • In 2019 is het tarief 25,00%
  • In 2020 is het tarief 26,25%
  • In 2021 is het tarief 26,90%

Door de verhoging van het box 2-tarief wil de wetgever een te sterke aanzuigende werking naar de BV voorkomen. Deze treedt mogelijk op door de tariefverlagingen van de vennootschapsbelasting.

In onderstaande tabel is de totale belastingdruk van een aandeelhouder in een BV weergegeven (combinatie vennootschapsbelasting (Vpb) en box 2-tarief).

Totale belastingdruk van aandeelhouder in BV

Jaar

VPB
Tot en met € 200.000

VPB
Meer dan € 200.000

IB
Box 2 AB

Gecombineerd
Tot en met € 200.000

Gecombineerd
Meer dan € 200.000

2019

19,00%

25,00%

25,00%

39,25%

43,75%

2020

16,50%

25,00%

26,25%

38,42%

44,69%

2021

15,00%

21,70%

26,90%

37,87%

42,76%

Tip

De ondernemer kan een voorgenomen dividenduitkering uit 2020 naar voren halen in 2019.

Het box 2-tarief wordt stapsgewijs verhoogd. Een belastingplichtige valt in box 2 als er sprake is van een aanmerkelijk belang. Dit is het geval als iemand bijvoorbeeld 5% aandeelhouder is in een vennootschap.


Aanpassing tarief vennootschapsbelasting (Vpb)

Het kabinet verlaagt jaarlijks het tarief van de vennootschapsbelasting (Vpb). Deze verlaging geldt voor zowel de eerste als tweede schijf. De beloofde verlaging in de tweede schijf van de vennootschapsbelasting stelt het kabinet met een jaar uit.

Hieronder ziet u hoe de tariefsopbouw er uitziet.

Tariefsopbouw verlaging tarief Vpb

Belastbare winst

2019

2020

2021

tot € 200.000

19%

16,5%

15%

€ 200.000 of meer

25%

25%

21,7%

Bij verkoop van een bedrijfsmiddel in 2019 kan een ondernemer boekwinst - mét een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen - in een herinvesteringsreserve onderbrengen. Deze herinvesteringsreserve valt na drie jaar in 2022 vrij tegen een lager tarief.

Tip

De stapsgewijze tariefsverlaging kunt u inzetten voor belastingplanning. Een ondernemer kan bijvoorbeeld kosten en voorzieningen naar 2019 halen. Deze kosten kunnen dit jaar nog tegen 25% of 19% worden afgetrokken. 

Een andere mogelijkheid is het zoveel mogelijk uitstellen van winst. De uitgestelde winst kan in een later jaar worden gerealiseerd tegen een lager Vpb-tarief.


Excessief lenen bij de eigen bv

Aanmerkelijkbelanghouders betalen vanaf 2022 inkomstenbelasting over (een deel van) de bovenmatige lening die zij bij de eigen onderneming zijn aangegaan. Dit voorjaar is het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap ter consultatie gepubliceerd. Hierin staat dat een aanmerkelijkbelanghouder vanaf 2022 belasting betaalt over zijn schulden bij de eigen vennootschap voor zover deze schulden meer bedragen dan € 500.000. Eigenwoningschulden die bij de eigen vennootschap zijn afgesloten, vallen hier niet onder.

De verwachting is dat het ministerie in het vierde kwartaal van 2019 komt met een (iets) aangepast wetsvoorstel.

Box 2

De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang als hij bijvoorbeeld 5% van de aandelen bezit in een vennootschap. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijke bedrag uit de winstuitdelingen en vervreemdingswinsten. Het voordeel uit aanmerkelijk belang is belast in box 2.

Het kabinet wil het excessief lenen bij de eigen vennootschap tegengaan. Door te lenen van de eigen vennootschap kunnen aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing in box 2 voor een lange tijd uitstellen. In plaats van dividend uitkeren, neemt de aandeelhouder op ten laste van de rekening courant bij de BV. In een aantal situaties wordt zelfs afstel gerealiseerd. Dit is het geval wanneer de aanmerkelijkbelanghouder de lening niet kan terugbetalen (bijvoorbeeld bij faillissement).

Regelmatig speelt de vraag of en in hoeverre sprake is van een lening. De Belastingdienst vindt vaak dat de lening een verkapte (fiscale) winstuitdeling is. In de praktijk blijkt dit lastig aantoonbaar door de Belastingdienst. Met dit wetsvoorstel behoren discussies over schuldverhoudingen van meer dan € 500.000 tot de verleden tijd. 

Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Het doel van het wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap is het beperken van toegenomen belastinguitstel (of -afstel) door de aanmerkelijkbelanghouder. Dit wordt bereikt door de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder in box 2 te belasten. Indien de totale som van de schulden meer dan € 500.000 bedraagt, wordt het meerdere in 2022 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang. Hierbij kijken ze naar de totale schuld die de aanmerkelijkbelanghouder heeft bij alle vennootschappen waarin hij direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft. Als peildatum geldt 31 december.

De kwalificatie van de lening verandert civielrechtelijk niet door deze fiscale maatregel. De lening blijft daarmee gewoon op de balans staan van de vennootschap. De rente- en aflossingsverplichtingen blijven eveneens van kracht. De schuld verlaagt de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen van de aanmerkelijkbelanghouder. Dit verandert niet door deze maatregel.

Voorbeeld

Hans heeft in 2023 een schuld van € 600.000 aan zijn eigen vennootschap. Het bovenmatig deel van de schulden is € 100.000 (€ 600.000 - € 500.000). Hans moet over € 100.000 belasting betalen in box 2. In 2024 leent Hans nog een keer € 50.000 van de eigen vennootschap. De totale schuld op de balans van de onderneming is in 2024 € 650.000. Het bovenmatige deel van de schulden is in 2024 € 50.000. 

Let op!

Voor het vaststellen van het bovenmatige deel van de schulden, mogen vorderingen op de vennootschap niet salderen met schulden aan de vennootschap!

In het wetsvoorstel ontbreekt een tegenbewijsmogelijkheid. Er wordt voor het vaststellen van het bovenmatige deel van de schulden niet gekeken naar de zakelijkheid van een lening tussen de vennootschap en de aanmerkelijkbelanghouder. 

Ook voor partners en kinderen

Als de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder of zijn fiscaal partner in totaal meer dan € 500.000 bedragen, wordt de belastingheffing bij de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk in aanmerking genomen. Het is hierbij niet relevant de belastingplichtige of zijn partner de schulden aangingen. Ook is het niet relevant of de schulden behoren tot het individuele vermogen van de belastingplichtige of van zijn partner. Door middel van deze maatregel voorkomt u dat deze regeling wordt omzeild door een partner de lening aan te laten gaan.

Deze maatregel is ook van toepassing op schulden aan verbonden personen van de aanmerkelijkbelanghouder. Een verbonden persoon is de bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de aanmerkelijkbelanghouder of van zijn partner. Minderjarigheid is in dit geval niet van belang. Het bovenmatige deel van deze schulden wordt belast bij de aanmerkelijkbelanghouder. 

Voorbeeld

Maurice en Laura zijn gehuwd. Maurice en Laura hebben aandelen in Transport BV. Maurice heeft een schuld

€ 700.000 aan Transport BV. Laura heeft ook een schuld van € 700.000 aan Transport BV. Het totaal aan schulden aan Transport BV bedraagt € 1.400.000. Het gezamenlijke bovenmatig deel van de schulden bedraagt € 900.000 (€ 1.400.000 - € 500.000). Het box 2-inkomen is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Maurice en Laura kunnen zelf de onderlinge verhouding aangeven. 

Vervreemdingskorting, maar geen verrekening met regulier box 2 inkomen

De belastingheffing in box 2 op basis van deze afrekening betekent feitelijk dat er over een deel van de winstreserve is afgerekend. In het voorbeeld van Maurice en Laura is er box 2 belasting betaald over € 900.000. Het is echter niet zo dat hierdoor de winstreserve voor € 900.000 afneemt, ten gunste van netto eigen vermogen in de BV.

Als de aanmerkelijkbelanghouder in 2022 wordt belast vanwege een bovenmatige schuld aan de eigen vennootschap, heeft hij recht op een vervreemdingskorting. Een later behaald vervreemdingsvoordeel wordt verminderd op de vervreemdingskorting. De vervreemdingskorting bedraagt het belastbaar bedrag van de bovenmatige schuld. Dit geldt alleen als er een vervreemding plaatsvindt van de aandelen, waardoor niet langer een aanmerkelijk belang is. Het vervreemdingsvoordeel kan niet door toepassing van de vervreemdingskorting negatief worden. 

Let op!

De vervreemdingskorting geldt alleen als er een vervreemding plaatsvindt van de aandelen, waardoor er niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang.

De vervreemdingskorting is het belastbaar bedrag van de bovenmatige schuld (fictief regulier voordeel) waarover in het jaar 2022 inkomstenbelasting is verschuldigd. Deze mogelijkheid voor verrekening is er niet voor (fictief) reguliere voordelen van na 2022, dus ook niet in geval van dividenduitkeringen. Dit betekent dat in veel situaties een behoorlijk risico op dubbele belastingheffing ontstaat. 

Voorbeeld

Piet heeft in 2022 voor € 700.000 aan schulden aan zijn eigen vennootschap. Er is sprake van een bovenmatig deel van de schulden van € 200.000 (€ 700.000 - € 500.000). Piet moet over € 200.000 belasting betalen in box 2. In 2026 verkoopt Piet zijn aanmerkelijk belang voor € 2.000.000. Dit aanmerkelijk belang heeft hij in het verleden verworven voor € 300.000. Piet heeft recht op de vervreemdingskorting. Zijn vervreemdingsvoordeel bedraagt hierdoor € 1.500.000 (€ 2.000.000 - € 300.000 - € 200.000). 

Uitzondering voor eigenwoningschulden

Voor het vaststellen van bovenmatige schulden, worden schulden die kwalificeren als eigenwoningschuld niet meegenomen. Daarbij geldt dat voor eigenwoningschulden die worden aangegaan na 31 december 2021, een recht van hypotheek moet worden verstrekt. Hiervoor is een gang naar de notaris noodzakelijk. 

Let op!

Alleen schulden die zijn aangegaan voor de aanschaf, het onderhoud of de verbetering van een woning die dient als hoofdverblijf, kunnen als eigenwoningschuld worden aangemerkt. 

Tips

Aanmerkelijkbelanghouders hebben tot eind 2022 de tijd om bovenmatige schulden af te bouwen tot maximaal € 500.000. Hierbij de volgende tips:

  • Bespreek een eventuele bovenmatige schuldverhouding met de vennootschap tijdig. Er wordt niet voorzien in een overgangsregeling voor bestaande schulden. De aanmerkelijkbelanghouder heeft nu nog tijd om maatregelen te treffen.
  • Het belastingtarief in box 2 gaat de komende jaren stijgen. Het belastingtarief is nu 25% en stijgt naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021. Bespreek dit als u de schulden bij de vennootschap (deels) wil aflossen voor 2022 en daarvoor dividend wil uitkeren.
  • Als de schulden betrekking hebben op in box 3 belegd onroerend goed en u deze laten overnemen door een bank, houd dan rekening met de plannen in box 3 als het om de aftrek van schulden gaat.


Belastingrente en betalingskorting in de Vpb

Als ondernemer met een vennootschap kunt u te maken krijgen met belastingrente van maar liefst 8%. Deze rente wordt in rekening gebracht wanneer u de aangifte vennootschapsbelasting te laat indient. Het kabinet wil geen belastingrente in rekening brengen als de belastingplichtige de aangifte op tijd indient. Daarnaast geldt nu nog een betalingskorting voor de vennootschapsbelasting wanneer u de voorlopige aanslag ineens betaalt. Deze betalingskorting vervalt met ingang van 2021.

Belastingrente in de vennootschapsbelasting

Belastingrente is bedoeld als prikkel tot het tijdig en correct voldoen aan de fiscale verplichtingen. Naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting, legt de inspecteur een belastingaanslag op. Als een belastingaanslag met een te betalen bedrag te lang op zich laat wachten doordat er niet tijdig aangifte is gedaan, brengt de inspecteur belastingrente in rekening.

Het kan ook voorkomen dat de inspecteur een belastingaanslag niet tijdig vaststelt. Als de belastingplichtige een teruggave ontvangt, zal de Belastingdienst belastingrente vergoeden. 

Tijdig aangifte doen en toch rente betalen

Het komt in vennootschapsbelasting voor dat een belastingplichtige die tijdig en correct aan zijn fiscale verplichtingen voldoet, in bepaalde gevallen toch belastingrente moet betalen. Dit is destijds in 2013 bewust door de wetgever ingevoerd met als (onder meer) het simpele doel om geld binnen te halen. De belastingrente die in rekening wordt gebracht bedraagt namelijk maar liefst 8%.

De belastingrente wordt berekend vanaf 1 juli na afloop van het tijdvak tot 6 weken na de datum op de aanslag.

Het kabinet vindt de situatie uit het voorbeeld hiernaast onwenselijk en stelt voor dat er geen belastingrente in rekening wordt gebracht als een correcte aangifte voor 1 juni (dus tijdig) wordt ingediend. 

Betalingskorting

Ontvangt u een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting en betaalt u ineens, dan krijgt u op dit moment nog een betalingskorting. Het kabinet is voornemers om de betalingskorting met ingang van 2021 te laten vervallen. 

Voorbeeld

Een BV doet op 1 mei 2019 aangifte voor de vennootschapsbelasting 2018. De aangifte is daarmee tijdig ingediend. De BV krijgt een aanslag op 1 augustus 2019. De Belastingdienst brengt belastingrente in rekening over de periode van 1 juli 2019 tot en met 12 september 2019 (6 weken na de datum van de aanslag). 

Let op!

De maatregel kun je al toepassen voor belastingaanslagen over tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2019.

 

Beperking van de liquidatieverliesregeling

Niet alle ondernemingen in Nederland zijn even succesvol. Ook komt het regelmatig voor dat de start van een nieuwe onderneming in het buitenland niet tot het gewenste resultaat leidt. De liquidatieverliesregeling maakt het dan mogelijk om de pijn enigszins te verzachten. Deze regeling staat namelijk toe dat buitenlandse liquidatieverliezen worden verrekend met de winsten in Nederland.

Belastingvrijstelling bij activiteiten in het buitenland

Een in Nederland gevestigde vennootschap betaalt belasting over de in Nederland behaalde winst. In het buitenland behaalde resultaten worden daar belast. De winsten en verliezen in het buitenland worden in Nederland vrijgesteld op grond van de deelnemingsvrijstelling en de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen. Het doel van deze regelingen is om ervoor te zorgen dat winsten niet dubbel worden belast. 

Verliezen in het buitenland aftrekbaar in Nederland

Een uitzondering op de vrijstelling geldt bij staking van de buitenlandse activiteiten. Als er sprake is van een verlies, dan kan dit verlies per saldo niet in aanmerking worden genomen in het buitenland. De activiteiten worden immers gestaakt. Het is om die reden mogelijk het liquidatieverlies in Nederland in aftrek te brengen op basis van de zogenoemde ‘liquidiatieverliesregeling.’ 

Aanpassing van de liquidatieverliesregeling

In de media was veel aandacht voor het feit dat multinationals buitenlandse liquidatieverliezen in Nederland verrekenen. Hierdoor voorkomen multinationals dat ze in Nederland belasting betalen. Het kabinet vindt dit een onwenselijk situatie en stelt daarom voor om de verrekening van het liquidatieverlies te beperken. Wil een vennootschap vanaf 2021 nog buitenlandse liquidatieverliezen verrekenen in Nederland, dan moet het aan strengere voorwaarden voldoen. 

In beperkte mate van toepassing voor het MKB

Het kabinet wil niet dat het MKB wordt getroffen door de beperking van de liquidiatieverliesregeling. Liquidatieverliezen in het buitenland kunnen in ieder geval tot een bedrag van 1 miljoen alsnog in Nederland worden verrekend.

 

Beperking zelfstandigenaftrek

Het kabinet is voornemens de zelfstandigenaftrek jaarlijks te verlagen vanaf 1 januari 2020. De zelfstandigenaftrek wordt in 10 jaar afgebouwd tot € 5000 in 2028.

De zelfstandigenaftrek vormt een aftrekpost in box 1 waarmee ondernemers en zzp'ers de grondslag voor de belastingheffing aanzienlijk kunnen verlagen. Hierdoor hebben de ondernemer en zzp'er netto inkomen beschikbaar om inkomensverzekeringen en pensioenopbouw te financieren. In de praktijk gebruiken veel zzp'er deze financiële ruimte om tegen een lager tarief te werken en daarmee werknemers in loondienst weg te concurreren. 

Zelfstandigenaftrek

Als een ondernemer voldoet aan de voorwaarden (urencriterium), heeft hij recht op een zelfstandigenaftrek van € 7.280. De zelfstandigenaftrek wordt de komende 10 jaar in stappen van € 250 verlaagd naar € 5.000. In 2020 bedraagt de zelfstandigenaftrek € 7.030. In 2028 bedraagt de zelfstandigenaftrek € 5.000. 

Let op!

Deze versobering van de zelfstandigenaftrek komt bovenop de aftrekbeperking die voor alle ondernemersfaciliteiten geldt.

 

Vernieuwing kleine-ondernemersregeling

De Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR) treedt in werking per 1 januari 2020. De huidige regeling is gebaseerd op een vrijstellingsbedrag. De nieuwe regeling is gebaseerd op de omzet. Kleine ondernemers met maximaal € 20.000 omzet in Nederland kunnen vanaf 1 januari 2020 kiezen voor een vrijstelling van omzetbelasting. 

De wetgever beoogt met deze wetswijziging kleine ondernemers te stimuleren en ondersteunen. De administratieve lastenverlichting die de wetgever wil bereiken, kan gunstig zijn voor een deel van de naar schatting 900.000 kleine ondernemers. Op termijn zal deze administratieve lastenverlichting ook voor de Belastingdienst gunstig zijn. 

Btw-afdracht

Een ondernemer brengt normaal gesproken omzetbelasting (btw) in rekening over de producten die hij verkoopt en diensten die hij levert aan zijn klanten. Deze omzetbelasting dient hij af te dragen aan de Belastingdienst. Omzetbelasting die de ondernemer zelf betaalt over zakelijke kosten kan hij terugvorderen. In de praktijk leidt dit ertoe dat de ondernemer de af te dragen omzetbelasting saldeert met de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting. 

Huidige kleineondernemersregeling

Voor kleine ondernemers kan het administreren en afdragen van omzetbelasting behoorlijk belastend zijn. Om deze groep tegemoet te komen, is de kleineondernemersregeling al een aantal jaar van toepassing. De KOR geldt alleen voor natuurlijke personen (eenmanszaak, vof, maatschap). De regeling bestaat uit:

  • Vermindering van het te betalen btw-bedrag in een jaar dat de te betalen btw minder is dan € 1.883.
  • Volledige vrijstelling van de te betalen btw wanneer deze minder is dan € 1.345. Als dit meerdere jaren het geval is, kun je verzoeken om ontheffing van administratieve verplichtingen.

Vereenvoudiging kleineondernemersregeling

Door de vrijstelling per 1 januari 2020 te wijzigen naar een omzet gerelateerde vrijstelling, is de regeling aanzienlijk makkelijker. Als hoofdregel geldt dat de omzetvrijstelling afhankelijk is van de belaste omzet van de onderneming. Als de omzetbelasting wordt betaald over de winstmarge, rekenen we alleen de winstmarge mee als omzet. Ook worden sommige btw-vrijgestelde prestaties meegeteld bij de omzet. Dit zijn de volgende diensten:

  • Levering en verhuur van onroerende goederen.
  • Financiële diensten op het gebied van betaalverkeer, de effecten en kredietverlening.
  • Verzekeringsdiensten- en herverzekeringsdiensten.

Voorbeeld

Marloes heeft een eenmanszaak. Ze heeft een WFT-vergunning en adviseert in verzekeringen en hypotheken. Incidenteel maakt Marloes financiële planningsrapporten voor ondernemers waarover ze omzetbelasting in rekening brengt. De btw-vrijgestelde omzet bedraagt € 40.000. De btw-belaste omzet bedraagt € 14.520 (incl. € 2.520 btw). In totaal wordt aan Marloes in 2019 € 4.250 omzetbelasting in rekening gebracht. Hiervan is € 1.400 toe te rekenen aan de belaste diensten. Marloes moet dan € 1.120 omzetbelasting afdragen aan de Belastingdienst. In 2019 kan Marloes echter gebruik maken van de KOR. Marloes geniet volledige vrijstelling omdat de te betalen btw minder bedraagt dan € 1.345. 

In 2020 daarentegen kan Marloes geen gebruik maken van de KOR. De omzet voor de KOR bedraagt € 52.000 (€ 40.000 + € 14.520 - € 2.520 btw). 

Voorbeeld

Lars is ondernemer. Hij koopt auto’s van particulieren en verkoopt deze auto’s weer door. Hij mag als autohandelaar de margeregeling toepassen. De margeregeling geldt voor de inkoop van goederen zonder omzetbelasting. Je betaalt dan omzetbelasting over de winstmarge. De kostprijs voor Lars bedraagt in 2019 € 50.000 en de omzet € 71.780 (incl. € 3.780 btw). In totaal wordt aan Lars door leveranciers € 1.000 omzetbelasting in rekening gebracht. Lars moet over 2019 € 2.780 (€ 3.780 - € 1.000) omzetbelasting afdragen aan de Belastingdienst. Lars kan in 2019 geen gebruik maken van de KOR. De af te dragen omzetbelasting bedraagt namelijk meer dan € 1.883. 

In 2020 kan Lars wel gebruik maken van de KOR. Omdat er gebruik wordt gemaakt van de margeregeling, wordt voor de toepassing van de KOR alleen de winstmarge meegerekend als omzet. De omzet voor de KOR bedraagt € 18.000 (€ 71.780 - € 50.000 - € 3.780 btw). 

Nieuwe regeling geldt voor alle ondernemingen

Alle ondernemingsvormen in Nederland met een jaaromzet onder de € 20.000 komen in aanmerking voor de vernieuwde regeling. De KOR wordt ook toegankelijk voor niet-natuurlijke personen. De omzetgrens geldt per kalenderjaar, dus ook bij start van een onderneming gedurende het jaar. Is de jaaromzet van de ondernemer hoger dan € 20.000, dan blijven de normale regels van de omzetbelasting en bijbehorende administratieve verplichtingen van toepassing. 

Vrije keuze

Een ondernemer die vanaf 1 januari 2020 een omzet van maximaal € 20.000 realiseert, heeft een vrije keuze om gebruik te maken van deze nieuwe regeling. Als hij gebruik maakt van de regeling, brengt hij zijn afnemers geen omzetbelasting (meer) in rekening. De betaalde omzetbelasting kan dan ook niet meer in aftrek worden gebracht. Deze ondernemer is daarbij ontheven van het doen van aangiften omzetbelasting en bijbehorende administratieve verplichtingen.

Zodra de omzet in een kalenderjaar boven de € 20.000 komt, vervalt de KOR. De belastingplichtige kan dan drie jaar lang niet meer gebruik maken van de KOR. De belastingplichtige kan niet ieder jaar beslissen of hij wel of niet mee gaat doen. 

Voorbeeld

Een ondernemer die nu een omzet realiseert van € 18.000 en op jaarbasis en 21% omzetbelasting verschuldigd is, moet volgens de huidige regeling omzetbelasting afdragen en bijbehorende administratieve verplichtingen verrichten. In de nieuwe regeling kan de ondernemer kiezen voor vrijstelling van omzetbelasting en bijbehorende administratie. 

Het kan gebeuren dat de ondernemer gedurende het kalenderjaar een hogere omzet genereert dan € 20.000. In dat geval voldoet hij niet meer aan de voorwaarden. Dit betekent dat alle leveringen en diensten die worden verricht na die overschrijding van deze omzetgrens, niet langer vrijgesteld zijn van omzetbelasting. 

Tips

Heeft een kleine ondernemer te maken met afdracht omzetbelasting, dan is er de eventuele mogelijkheid om vanaf 1 januari 2020 gebruik maken van deze gewijzigde regeling. Let daarbij op het volgende:

  • Een ondernemer die de vrijstelling wil toepassen op 1 januari 2020, moet uiterlijk op 20 november 2019 zijn keuze melden. Een ondernemer die de vrijstelling wil toepassen na 1 januari 2020, dient uiterlijk 4 weken voorafgaand aan het belastingtijdvak hiervoor een verzoek in te dienen bij de belastinginspecteur. De KOR kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast.
  • Een ondernemer die in 2019 al een ontheffing van administratieve verplichting heeft voor de omzetbelasting, gaat automatisch deelnemen aan de nieuwe KOR vanaf 1 januari 2020. Als de ondernemer dit niet wil, moet hij een verzoek doen tot uitnodiging tot het doen van aangifte.
  • Een ondernemer moet bij het maken van zijn keuze rekening houden met toekomstige investeringen en teruggaven van omzetbelasting. Het kan nadelig zijn om gebruik te maken van de KOR.

 

Bronbelasting

Een van de wetsvoorstellen in het Belastingplan 2020 is het wetsvoorstel Wet Bronbelasting 2021. Met deze wet wordt per 1 januari 2021 een nieuw bronbelasting geïntroduceerd. Deze bronbelasting wordt ingevoerd om te voorkomen dat Nederland nog langer gebruikt wordt voor belastingontwijking door het verschuiven van de (Nederlandse) belastinggrondslag naar landen met een lagere belastingdruk.

Nederland heft geen bronbelasting op uitgaande rente- en royaltybetalingen. Door het uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk, wordt Nederland veelvuldig gebruikt om belastingheffing te voorkomen. Het kabinet vindt dit onwenselijk.

Het kabinet wil een bronbelasting invoeren op uitgaande rente- en royaltybetalingen aan gelieerde lichamen die gevestigd zijn:

  • In landen zonder winstbelasting of met een tarief lager dan 9%.
  • Landen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden.
  • In misbruiksituaties.

Het tarief van de bronbelasting zal gelijk zijn aan het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting (2021: 21,7%).

Meer weten over de gevolgen van Prinsjesdag 2019?

Heeft u vragen of wenst u meer informatie over de gevolgen van Prinsjesdag 2019? Neem dan contact op met Honig en Honig en bel 072-5642669 of mail uw vraag naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Bronnen: Rijksoverheid, Aegon, Nationale Nederlanden en Dukers & Baelemans

Laatst aangepast op woensdag 25 september 2019 15:14