woensdag 25 september 2019 07:26

Prinsjesdag 2019 en de gevolgen voor particulieren

Hier vindt u een overzicht van de maatregelen en wijzigingen die van invloed zijn op particulieren, zoals aangekondigd tijdens Prinsjesdag 2019. Wat zijn de gevolgen?

Box 1 en heffingskortingen

De regering wilde aanvankelijk in 2021 het aantal schijven in box 1 terugbrengen naar twee. Het kabinet stelt voor om de invoering van het tweeschijvenstelsel te versnellen. In het nieuwe voorstel wordt het tweeschijvenstelsel al in 2020 gerealiseerd. Dat betekent dat er vanaf dat moment nog maar sprake is van twee tarieven. 

Twee belastingschijven en aangepaste tarieven

De belasting over uw inkomen wordt nu berekend over vier belastingschijven. Het kabinet wil het inkomen minder zwaar belasten zodat u netto meer geld overhoudt. Hiervoor voert het kabinet vanaf 2020 een tweeschijventarief in voor de inkomstenbelasting. Vanaf dan zien de belastingschijven en -tarieven er zo uit:

 

1e schijf

2e schijf

Inkomen

tot € 68.507

vanaf € 68.507

Belastingtarief 2020

37,35%

49,50%


Heeft u recht op AOW en bent u geboren na 1945? Dan gelden de volgende belastingschijven en -tarieven:

 

1e schijf

2e schijf

3e schijf

Inkomen

tot € 34.712

tot € 68.507

vanaf € 68.507

Belastingtarief 2020

19,45%

37,35%

49,50%


Heeft u recht op AOW en bent u geboren voor 1946? Dan gelden de volgende drie belastingschijven en -tarieven:

 

1e schijf

2e schijf

3e schijf

Inkomen

tot € 35.375

tot € 68.507

vanaf € 68.507

Belastingtarief 2020

19,45%

37,35%

49,50%

 

Heffingskortingen worden verhoogd

In 2020 worden de heffingskortingen verhoogd. Dit zijn kortingen op de belasting die u moet betalen over uw inkomen. Hierdoor kunt u netto meer overhouden.

Heffingskorting

2020

2019

Maximum algemene heffingskorting onder AOW-leeftijd

€ 2.711

€ 2.477

Maximum algemene heffingskorting boven AOW-leeftijd

€ 1.413

€ 1.268

Maximum arbeidskorting

€ 3.819

€ 3.399

Maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting

€ 2.881

€ 2.835

Jonggehandicaptenkorting

€ 749

€ 737

Ouderenkorting

€ 1.622

€ 1.596

Alleenstaande ouderenkorting

€ 436

€ 429

 

Versobering van aftrekposten

Het derde kabinet Rutten heeft in het regeerakkoord al duidelijk gemaakt dat de hypotheekrenteaftrek versneld wordt afgebouwd. In het belastingplan 2019 staat dat andere aftrekposten al vanaf 2020 versneld worden afgebouwd, dit heeft gevolgen voor zowel ondernemers als particulieren.

Tarief aftrekposten voor hoogste schijf daalt

Aftrekbare kosten kunnen in 2019 voor maximaal 51,75% afgetrokken worden. Voor hypotheekrente is dat maximaal 49% in 2019. In 2020 worden beide tarieven gelijkgetrokken en dalen ze naar 46%.

Valt uw inkomen in de hoogste schijf van de inkomstenbelasting (51,75% in 2019), dan kunt u aftrekbare kosten nu ook tegen dat tarief aftrekken. Denk daarbij aan lijfrenteaftrek en de betaling van alimentatie. Op deze regel geldt al een uitzondering voor de aftrekbare kosten van de eigen woning, zoals de hypotheekrenteaftrek (maximaal 49% in 2019 en 46% in 2020). Met ingang van 2020 worden de tarieven voor de volgende aftrekbare posten ook verlaagd:

  • ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, startersaftrek, startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en stakingsaftrek);
  • MKB-winstvrijstelling;
  • terbeschikkingsstellingsvrijstelling;
  • aftrek van onderhoudsverplichtingen (alimentatie);
  • aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten;
  • aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten;
  • aftrek van scholingsuitgaven;
  • giftenaftrek;
  • restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren;
  • verliezen op beleggingen in durfkapitaal.

De komende jaren wordt het maximale aftrektarief verder verlaagd:

 

2019

2020

2021

2022

2023

Maximaal aftrektarief

51,75%

46,00%

43,00%

40,00%

37,05%

De daling van het tarief aftrekposten geldt niet voor de lijfrenteaftrek. De lijfrenteaftrek blijft aftrekbaar in de hoogste schijf van de inkomstenbelasting.

 

Partneralimentatie vanaf 2020

Zowel belastingplichtigen met bestaande afspraken over partneralimentatie als degenen die hier nieuwe afspraken over maken krijgen vanaf 2020 te maken met wetswijzigingen. De duur van de alimentatie wijzigt voor nieuwe afspraken. Voor alle alimentatiebetalingen aan partners geldt vanaf 2020 een aftrekbeperking.

Duur van de alimentatie

De oorspronkelijke bedoeling van de wetgever was om de regels rondom de partneralimentatie ingrijpend te veranderen. Veel bepalingen in het oorspronkelijke voorstel zijn echter gesneuveld. Wat verandert er wel?

  • De maximale duur van de partneralimentatie is de helft van de huwelijkse periode met een maximum van 5 jaar. Maar er zijn enkele uitzonderingen:
  1. Bij ex-partners met kinderen jonger dan 12 jaar is de maximale duur tot 12-jarige leeftijd van het kind.
  2. Bij huwelijken die langer dan 15 jaar duurden én waarbij de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar AOW-gerechtigd is, is de maximale duur tot AOW-leeftijd
  3. Bij huwelijken die langer dan 15 jaar duurden en waarbij de alimentatiegerechtigde geboren is voor 1-1-1970 is de maximale duur 10 jaar.
  • Net als in de huidige wetgeving vangt de duur van de alimentatie aan vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in het huwelijksregister. Voor de uitzonderingen genoemd in 2 en 3 moet de duur van het huwelijk worden bepaald. Het indienen van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is daarbij bepalend.

Aftrekbaarheid partneralimentatie

De alimentatieplichtige kan de betaalde alimentatie in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen als ‘ persoonsgebonden aftrek’. Bij de vaststelling van de partneralimentatie wordt rekening gehouden met de aftrekbaarheid voor de betaler en de belastbaarheid voor de ontvanger.

Als de alimentatieplichtige een hoog inkomen heeft dan ‘betaalt’ de Belastingdienst voor 51,75% mee aan de alimentatie. De alimentatiegerechtigde heeft vaak een lager inkomen en betaalt in dat geval 36,65% over de ontvangen alimentatie. Een mooie hefboom dus.

In het belastingplan van vorig jaar is bepaald dat de persoonsgebonden aftrek (waaronder alimentatie) wordt afgebouwd. Dit in samenhang met de overgang naar een tweeschijvenstelsel in box 1. Vanaf 2020 bestaan er namelijk nog slechts 2 schijven: een eerste schijf van 37,35% en een tweede schijf van 49,5%.

De betaalde alimentatie wordt als aftrekpost in de eerste schijf op dezelfde wijze gecorrigeerd als de hypotheekrente. In 2020 wordt de aftrek gecorrigeerd naar 46%. De komende jaren volgt een verdere afbouw met ongeveer 3% per jaar tot het eerste schijftarief van 37,05% in 2023.

Alimentatieplichtigen zullen al snel van mening zijn dat zij recht hebben op een verlaging van de te betalen alimentatie. Het is belangrijk dat je voor jouw klanten inzichtelijk maakt wat in totaliteit de gevolgen van de fiscale wijzigingen voor het inkomen worden.

Vermindering aftrek partneralimentatie

Jaartal

Aftrek

Netto alimentatie

2019

€ 14.400 x 51,75% = € 7.452

€ 6.948

2020

€ 14.400 x 46,00% = € 6.624

€ 7.776

2021

€ 14.400 x 43,00% = € 6.192

€ 8.208

2022

€ 14.400 x 40,00% = € 5.760

€ 8.640

2022

€ 14.400 x 37,05% = € 5.336

€ 9.064

 

Beperking hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait

In 2019 is besloten de hypotheekrenteaftrek versneld af te bouwen. Op dit moment geldt een afbouwtraject van 0,5% per jaar. Vanaf 2020 verloopt de afbouw versneld. Deze maatregel komt uit het Belastingplan 2019. Ook bouwt het kabinet het eigenwoningforfait in de komende jaren af.

Versnelde afbouw hypotheekrenteaftrek zoals aangekondigd in 2018

Voor 2020 geldt een aftrekbeperking van 3,5% ten opzichte van het dan hoogst geldende tarief van 49,5%. Oftewel deze is aftrekbaar tegen een tarief van 46%. De hypotheekrenteaftrek daalt vanaf 2020 met 3% per jaar tot in 2023 het basistarief van 37,05% is bereikt.

Afbouw hypotheekrenteaftrek 

Maximaal aftrektarief kosten eigen woning

2019

2020

2021

2022

2023

49,00%

46,00%

43,00%

40,00%

37,05%

Eigenwoningforfait

Het kabinet bouwt het eigenwoningforfait in de komende jaren af met stappen van 0,05% waardoor het forfait van 2020 uitkomt op 0,6% voor woningen met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.060.000. Het doel is een verlaging naar 0,45% in 2023 voor woningen in deze groep. Voor woningen met een hogere WOZ-waarde blijft het eigenwoningforfait van 2,35% gehandhaafd voor de extra WOZ-waarde boven de € 1.060.000.

 

Box 3 spaarders worden ontzien, beleggers betalen

Spaarders betalen, zeker met de lage rentestand van dit moment, onevenredig veel belasting. Om deze reden wil staatssecretaris Snel met ingang van 1 januari 2022 verdere hervormingen doorvoeren in box 3. Zo moet de belastingheffing in box 3 beter aansluiten bij de daadwerkelijke rendementen die een belastingplichtige realiseert over zijn spaargeld. Door een heffingsvrij inkomen te introduceren van € 400 per belastingplichtige gaan volgens de staatssecretaris circa 1,35 miljoen mensen straks helemaal geen belasting meer betalen in box 3. Maar de staatssecretaris geeft geen geld weg. De opbrengsten moeten voor de overheid gelijk blijven. Daarom gaat de belegger fors meer betalen, om de spaarder te ontzien.

Aanpassingen belasting over vermogen in box 3

In box 3 wordt de belasting over vermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning berekend. Volgend jaar worden er een aantal tariefsaanpassingen doorgevoerd. Daarnaast heeft het kabinet aangekondigd de manier van belastingheffing in box 3 de komende jaren aan te passen.

Nu heeft u een heffingsvrij vermogen van € 30.360. In 2020 wordt het heffingsvrij vermogen verhoogd naar € 30.846. Het vermogen boven het heffingsvrij bedrag noemt u de grondslag. Hierover betaalt u belasting. Dit wordt als volgt berekend:

Het deel van de grondslag boven

Maar niet meer dan

Wordt toegerekend aan spaardeel (0,13%)

Wordt toegerekend aan beleggingsdeel (5,60%)

De vermogens-rendementsheffing over de grondslag bedraagt (tarief box 3: 30%)

€ 0

€ 71.650

67%

33%

0,581%

€ 71.650

€ 989.736

21%

79%

1,335%

€ 989.736

-

0%

100%

1,680%

In 2020 wordt het veronderstelde rendement op het spaardeel en het beleggingsdeel verlaagd. Vanwege de inflatie worden de belastingschijven verruimd.

Het deel van de grondslag boven

Maar niet meer dan

Wordt toegerekend aan spaardeel (0,06%)

Wordt toegerekend aan beleggingsdeel (5,33%)

De vermogens-rendementsheffing over de grondslag bedraagt (tarief box 3: 30%)

€ 0

€ 72.979

67%

33%

0,54%

€ 72.979

€ 1.005.572

21%

79%

1,27%

€ 1.005.572

-

0%

100%

1,60%

Aanpassingen belasting over vermogen in box 3 vanaf 2022

In box 3 wordt de belasting over vermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning berekend. Op dit moment wordt de belasting in box 3 niet bepaald op basis van de werkelijke opbrengst van dit vermogen. Maar op basis van een fictief rendement over de waarde: het forfaitaire rendement. Voor met name spaargeld is het werkelijke rendement (door de lage spaarrente) veel lager dan het rendement waarmee gerekend wordt. Daarom wil het kabinet box 3 aanpassen.

Huidige regeling

De huidige regeling in box 3 kijkt niet naar hoe het vermogen is opgebouwd. Alle bezittingen in box 3, waaronder spaargeld en beleggingen worden bij elkaar opgeteld. Aan alles wat boven de vrijstelling van € 30.360 in 2019 (€ 30.846 in 2020) uitkomt, wordt een vastgesteld rendement toegerekend. Dit rendement loopt op van 1,8% tot 5,33%. Over dit rendement in box 3 betaalt u 30% belasting.

Beoogde wijzigingen

Het kabinet zal in 2020 een wetsvoorstel uitwerken waardoor spaarders aanzienlijk minder belasting in box 3 zullen betalen. Over de eerste € 440.000 spaargeld hoeft u in veel gevallen zelfs geen belasting meer te betalen. Beleggers gaan er ten opzichte van het huidige systeem op achteruit. De beoogde ingangsdatum van het gewijzigde box 3-stelsel is 1 januari 2022.

Een van de wijzigingen in de nieuwe plannen is dat het rendement over spaargeld, overige bezittingen en schulden in box 3 los van elkaar berekend wordt. Voor spaargeld geldt een vastgesteld rendement van 0,06%, voor overige bezittingen 5,33% en voor schulden 3,03%. Over dit rendement in box 3 betaalt u 33% belasting.

 

Subsidieregelingen verduurzaming eigen woning

De uitstoot van broeikasgassen moeten we terugdringen om opwarming van de aarde te voorkomen. Een belangrijke stap hierin is het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Het Klimaatakkoord is een pakket aan maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan.

Op 28 mei 2019 is in de Eerste Kamer de Klimaatwet aangenomen. In de wet staan de nationale klimaatdoelstellingen. In de Klimaatwet staan geen maatregelen beschreven om bovenstaande doelstellingen te bereiken. De maatregelen die tot de realisering van de broeikasgasreductie moeten leiden, zijn vastgesteld in vijf sectortafels. Iedere sectortafel heeft een doelstelling voor de eigen sector meegekregen.

Voor de eigen sector maakte iedere sectortafel vervolgens afspraken over hoe ze deze doelstelling kunnen bereiken. De sectortafel ‘gebouwde omgeving’ moet ‘de grote verbouwing’ realiseren. Tot 2050 moeten in ons land namelijk 7 miljoen woningen verbouwd worden tot goed geïsoleerde woningen die we duurzaam verwarmen door middel van schone energie. Deze ambitie moet voor iedereen haalbaar zijn. En daarnaast ook betaalbaar voor iedere woningeigenaar. 

Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH)

Vanaf 2 september 2019 is de Subsidie energiebesparing eigen huis weer beschikbaar. De subsidieregeling stimuleert het treffen van energiebesparende maatregelen in koopwoningen.

Het is belangrijk dat alle woningeigenaren in staat zijn hun woning te verduurzamen. Door verschillende maatregelen, waaronder subsidies, probeert de overheid woningeigenaren tot verduurzaming van de woning aan te zetten. De subsidie verlaagt de prijs van de verduurzamingsmaatregelen en verkort daarmee de terugverdientijd. Ook verhoogt het het rendement.

Per woning is het mogelijk om tot € 10.000 subsidie te krijgen. Wanneer het zeer energiezuinig pakket wordt uitgevoerd, bedraagt de subsidie maximaal € 15.000. De SEEH maakt een tegemoetkoming mogelijk bij het treffen van de volgende energiebesparende maatregelen:

  • Spouwmuurisolatie
  • Dakisolatie
  • Vloer- en/of bodemisolatie
  • Gevelisolatie
  • Hoogrendementsglas

Voorwaarden

Is de klant eigenaar én bewoner van de woning en heeft hij na 15 augustus 2019 minimaal twee energiebesparende maatregelen laten uitvoeren door een deskundig bedrijf en de rekening hiervan zelf betaald? Dan komt hij in aanmerking voor de SEEH.

De klant komt alleen in aanmerking voor de subsidie als er maatregelen zijn getroffen met aanzienlijke isolatiewaarde en de woning aan een minimale oppervlakte voldoet. Meer informatie over de minimale isolatiewaarden en de oppervlakte-eis vind je hier.

Aanvragen

Aanvragen voor deze regeling kun je vanaf 2 september 2019 indienen op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar staat meer informatie over de energiebesparende maatregelen, de voorwaarden en het aanvraagproces van de subsidie. Voor de particuliere klant loopt de SEEH tot en met 31 december 2020.

Financieringsmogelijkheden

Warmtefonds

Om huishoudens gericht te ondersteunen bij het financieren van verduurzaming van hun huis richt het kabinet een Warmtefonds op. Dit Warmtefonds gaat financieringsmogelijkheden bieden voor alle particuliere woningeigenaren en VvE’s die de woning willen verduurzamen. Dus ook, of misschien wel juist, voor financieel zwakkere huishoudens met een te laag inkomen, negatieve BKR notering of mensen met schulden. Het fonds moet voorkomen dat deze financieel achtergestelde doelgroepen de verbouwingen aan het huis niet kunnen betalen en daarmee achterblijven. Iedereen moet immers mee kunnen doen als we straks de woningen afkoppelen van het aardgas.

Gebouwgebonden financiering

Naar aanleiding van het Klimaatakkoord gaat de overheid de overdraagbaarheid van leningen wettelijk regelen waardoor vormen van gebouwgebonden financiering voor verduurzaming van de woning mogelijk worden. Gebouwgebonden financiering koppelt de plicht tot aflossing aan de woning en deze wordt bij verkoop overgenomen door de nieuwe eigenaar. Hierdoor is je klant verantwoordelijk voor de financiering tot het moment van verhuizen en verdwijnt de noodzaak om voor die tijd de investering terug te verdienen.

 

Energierekening

In het klimaatakkoord van 28 juni 2019 zijn een aantal maatregelen aangekondigd om huizenbezitters te stimuleren hun woning te verduurzamen. Drie fiscale maatregelen zijn nu uitgewerkt in het wetsvoorstel Fiscale maatregelen klimaatakkoord.

Verhoging energieheffing op aardgas

Voor veel woningbezitters is een lagere energierekening een belangrijke reden om de woning te verduurzamen. Onderdeel van het verduurzamen van de woning is de transitie van aardgas naar elektriciteit. Door gas duurder te maken en elektriciteit goedkoper ontstaat er voor de woningbezitter een prikkel om over te stappen naar elektriciteit. In 2020 wordt de energiebelasting op aardgas verhoogd met € 0,04 per m3. In de zes jaar daarna bedraagt de verhoging ieder € 0,01 per m3.

Voorbeeld

Ronald en Bregje hebben tien jaar geleden hun huidige woning gekocht. Zij besluiten de woning te verbouwen. Hun hypotheekadviseur vraagt of Ronald en Bregje hebben nagedacht over verduurzaming van de woning. Ronald en Bregje vragen een energieadviseur om advies. Hij berekent dat Ronald en Bregje met een investering van € 20.000 een bedrag van € 150 per maand aan energielasten kunnen besparen. Deze besparing loopt in 2020 en in de jaren daarna verder op, omdat zij veel minder gas gaan gebruiken.

Het kabinet is van plan de extra opbrengsten van de verhoging van de energiebelasting op aardgas terug te geven aan de burger. Dit gebeurt door de energiebelasting op elektriciteit en het belastingdeel van de energierekening te verlagen (zie hierna). 

Opslag Duurzame Energie

De Opslag Duurzame Energie (ODE) is een heffing over het verbruik van gas en elektriciteit. Met de opbrengst van de ODE wordt de productie van duurzame energie gestimuleerd. Tot en met 2019 was het uitgangspunt dat huishoudens de ene helft van de ODE opbrengen en dat bedrijven de andere helft betalen. Vanaf 2020 verandert dit. Huishoudens betalen dan een derde van de ODE en bedrijven tweederde. De ODE wordt verhoogd voor grootverbruikers (bedrijven). De opbrengst wordt deels gebruikt voor de verlaging van de energiebelasting voor huishoudens. 

Verlaging belastingdeel energierekening huishoudens

Het kabinet wil bereiken dat de energierekening in 2020 voor een huishouden met een gemiddeld verbruik € 100 lager is dan in 2019. Verder mag de energierekening in 2021 niet stijgen en moet de stijging van de energierekening na 2021 beperkt blijven. Om dit te bereiken, verlaagt het kabinet het belastingdeel in de energierekening. De heffing van de energiebelasting wordt lager, wat ook zorgt voor een lagere totale energierekening.

 

Zakelijk fietsen naar het werk aantrekkelijker

De fiscale fietsregeling voor privégebruik van de zakelijke fiets versimpelt. Tot 2020 wordt het daadwerkelijke privégebruik van de fiets belast. Dit vereist een nauwkeurige administratie. Vanaf 2020 telt een werknemer met een fiets van de zaak 7% van de adviesprijs van de fiets op bij zijn inkomen in box 1. Dit is ter compensatie voor privégebruik van de fiets. De maatregel geldt voor fietsen, e-bikes en speed pedelecs. 

Fietsen is gezond, beter voor het milieu en straks ook fiscaal aantrekkelijker. Werknemers kunnen vanaf 2020 eenvoudiger een fiets van de zaak gebruiken voor privé kilometers. Reden hiervoor is de komst van de nieuwe fiscale fietsregeling.

Huidige regelingen

De overheid neemt al langer maatregelen om fietsen te stimuleren. Op dit moment zijn er de volgende mogelijkheden:

  • De werkkostenregeling waarbij je als werkgever 1,2% van de totale loonsom van het bedrijf onbelast kan schenken aan het personeel. Deze ‘vrije ruimte’ mag de werkgever gebruiken om fietsen aan te schaffen. De werkkostenregeling wordt verruimd. Het voorstel is een tweeschijvenstelsel voor de berekening van de vrije ruimte. De vrije ruimte bereken je als 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom.
  • De milieu-investeringsaftrek (MIA), kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en VAMIL. Deze fiscale regelingen bieden werkgevers kortingen op hun belasting wanneer zij fietsen voor werknemers aanschaffen.
  • Werknemers hebben recht op een belastingvrije reiskostenvergoeding van € 0,19 per gemaakte kilometer. Dit geldt ook als de werknemer binnen 10 kilometer van het werk woont en bij gebruik van een privé fiets.
  • Werkgevers kunnen werknemers een renteloze lening verstrekken voor de aanschaf van een fiets. Deze kan de werknemer terugbetalen via de kilometervergoeding.

Let op!

De maatregel van de fiscale bijtelling voor de fiets heeft veel overeenkomsten met de bijtelling voor de leaseauto. Weet dat werknemers tegelijkertijd gebruik mogen maken van een leaseauto en leasefiets.

Voorbeeld financiële gevolgen

In het voorbeeld hieronder lichten we de financiële impact van de fiscale fietsregeling toe aan de hand van een voorbeeld.

Simone leaset via haar werkgever een elektrische fiets met een adviesprijs van € 3.000. Haar bruto-inkomen bedraagt € 32.000 per jaar. Wat betekent de nieuwe fiscale fietsregeling voor Simone?

Voor het privégebruik van haar fiets telt haar werkgever € 3.000 x 7% = € 210 per jaar bij haar loon op. Op basis van haar inkomen valt Simone met de top van haar inkomen in de tweede schijf. Ze betaalt 37,35% belasting over de € 210, oftewel € 78,44. Dit betekent dat de fiets haar € 6,54 netto per maand kost (€ 78,44 / 12).

 

Bijtelling elektrische auto's

Vanaf 1 januari 2020 gaat het bijtellingspercentage voor volledig elektrische auto’s omhoog van 4% naar 8%. De jaren daarna stijgt het percentage verder en gaat de maximale cataloguswaarde waarvoor deze verlaagde bijtelling geldt verder naar beneden. Voor de waarde van de auto boven deze maximale cataloguswaarde geldt het reguliere bijtellingspercentage.

Werknemers die privé rijden met een ter beschikking gestelde (volledig) elektrische of waterstofauto krijgen een milieukorting. Zij betalen hierdoor niet het reguliere tarief van 22% voor de bijtelling. Deze milieukorting wordt de komende jaren afgebouwd. Hierdoor ziet het bijtellingspercentage, voor auto’s gekocht in het betreffende jaar, er als volgt uit voor werknemers die volledig elektrisch rijden:

Bijtellingspercentage voor werknemers die volledig elektrisch rijden

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Bijtelling

4%

8%

12%

16%

16%

16%

17%

22%

Max. cataloguswaarde verlaagde bijtelling €

50.000

45.000

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

n.v.t.

Overgangstermijn

Het bijtellingspercentage dat geldt op het moment dat een auto voor het eerst in gebruik wordt genomen blijft 60 maanden (vijf jaar) gehandhaafd. Als de auto daarna nog steeds ter beschikking staat aan een werknemer geldt het actuele bijtellingspercentage.

Let op!

Voor waterstofauto’s en zonnecelauto’s is de maximale cataloguswaarde waarvoor de verlaagde bijtelling geldt niet van toepassing. 

Voorbeeld

Victor is directeur-grootaandeelhouder van Victor bv. De onderneming stelt hem een elektrische auto ter beschikking. De cataloguswaarde is € 60.000. De verwachte leverdatum is januari 2020. Victors belastbare inkomen wordt verhoogd met: 

Verlaagd tarief bijtelling:

€ 45.000 x 8% = € 3.600
Regulier tarief bijtelling: € 15.000 x 22% = € 3.300
Totaal: € 3.600 + € 3.300 = € 6.900
Hierover betaalt Victor progressief belasting in box 1.

Als het de leverancier lukt om de auto nog in december 2019 te leveren betekent dit dat Victors belastbare inkomen omhoog gaat met: 

Verlaagd tarief bijtelling:

€ 50.000 x 4% = € 2.000
Regulier tarief bijtelling: € 10.000 x 22% = € 2.200
Totaal: € 2.000 + € 2.200 = € 4.200

De vervroegde levering in 2019 zorgt ervoor dat het belastbaar inkomen van Victor vijf jaar lang € 2.700 lager is dan bij een levering in 2020. 

 

Wijzigingen in BPM tarieven

Een autokoper betaalt bij de aanschaf van een auto BPM. De hoogte hiervan is afhankelijk van de CO2 uitstoot van het voertuig. Hoe hoger de uitstoot, hoe hoger de BPM. De huidige NEDC testmethode geeft geen realistische weergave van de uitstoot. Vanaf 1 juli 2020 wordt daarom de WLTP testmethode gebruikt voor het vaststellen van het BPM tarief.

Voor emissieloze auto’s, zoals volledig elektrische en waterstofauto’s, geldt een vrijstelling van BPM. Dit voordeel gold aanvankelijk tot en met 2020. Het kabinet verlengt de vrijstelling tot en met 2024. Daarna geldt een vast tarief van € 360 per emissieloze auto.

Let op!

De WLTP testmethode is al in gebruik, maar het tarief is hier nog niet op gebaseerd. Het type auto bepaalt of aanschaf voor of na 1 juli 2020 voordeliger is. 

Wijzigingen Motorrijtuigenbelasting

De hoogte van de Motorrijtuigenbelasting (mrb) is afhankelijk van het type auto. Voor volledig en gedeeltelijk emissieloze auto’s is de mrb de komende jaren lager dan voor auto’s die rijden op fossiele brandstoffen.

  • Elektrische auto: oorspronkelijk hoeven rijders van elektrische auto’s t/m 2020 geen mrb te betalen aan het Rijk. Deze periode is opgerekt tot en met 2024. In 2025 is een kwart van de reguliere mrb verschuldigd en in 2026 de volledige mrb.
  • Plug-in hybride auto: tot en met 2020 betaalt de eigenaar de helft van de normale mrb. Deze termijn is opgerekt tot en met 2024. In 2025 is vervolgens 75% van de reguliere mrb verschuldigd en vanaf 2026 geldt het volledige tarief.

Wijzigingen accijnzen

De accijns op diesel wordt zowel in 2021 als in 2023 verhoogd met 1 cent per liter.

Meer weten over de gevolgen van Prinsjesdag 2019?

Heeft u vragen of wenst u meer informatie over de gevolgen van Prinsjesdag 2019? Neem dan contact op met Honig en Honig en bel 072-5642669 of mail uw vraag naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Bronnen: Rijksoverheid, Aegon, Nationale Nederlanden en Dukers & Baelemans

Laatst aangepast op woensdag 25 september 2019 15:14