dinsdag 23 april 2019 12:44

Wel of geen transitievergoeding in geval van een slapend dienstverband?

Een werknemer van een grote zorginstelling is in de IVA terecht gekomen. De werkgever houdt het dienstverband in stand. De werknemer vraagt om beëindiging van de dienstbetrekking en toekenning van een transitievergoeding.

De situatie

De werknemer is op 30 juni 2015 ziek geworden en op 16 augustus 2016 is aan hem een vervroegde IVA-uitkering toegekend. De werkgever heeft er bewust voor gekozen het dienstverband niet te beëindigen. De reden die de werkgever hiervoor aanvoert is dat hij dan niet de transitievergoeding hoeft te betalen. De werkgever heeft weliswaar recht op compensatie van de transitievergoeding waarbij in 2020 het UWV de wettelijk verschuldigde transitievergoeding aan de werkgever zal vergoeden. Hij wil echter de vergoeding niet voorschieten en heeft er ook niet het volle vertrouwen in dat het UWV de vergoeding tijdig en volledig zal betalen.

De werknemer vraagt aan de rechtbank om het dienstverband op zijn verzoek te beëindigen met toekenning van de transitievergoeding. Volgens de werknemer handelt zijn werkgever niet als een goed werkgever is de werkgever nalatig geweest.

Werkgever niet verplicht arbeidsovereenkomst te ontbinden

De werkgever verzet zich niet tegen het verzoek van werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werkgever voert wel verweer tegen toekenning van de transitievergoeding aan werknemer, ten laste van werkgever.

De rechtbank geeft de werknemer het recht om het dienstverband te beëindigen. Een werkgever is volgens de rechtbank niet verplicht om een dienstverband met een langdurig zieke werknemer te beëindigen. Door het dienstverband slapend te houden handelt de werkgever niet in strijd met goed werkgeverschap en ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus de rechter.

Omdat er naar mening van de rechtbank in dat geval geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, is er geen recht op transitievergoeding.

Commentaar

De rechtbank Overijssel baseert zijn uitspraak op de letter van de wet die het ‘slapend houden’ van het dienstverband, ook na twee jaar ziekte, niet verbiedt. Dit lig in de lijn van diverse rechterlijke uitspraken hierover.

Rode lijn daarin is (i) dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten indien een werkgever bij een slapende arbeidsovereenkomst niet tot ontslag overgaat zodat de werknemer een transitievergoeding misloopt, en (ii) dat de werkgever ook niet op grond van zijn verplichtingen als goed werkgever (artikel 7:611 BW) verplicht kan worden over te gaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Echter, die rechtspraak dateert van vóór de totstandkoming van de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Wet van 11 juli 2018, Stb 2018, 234, hierna: de Wet compensatie transitievergoedingen).

Door deze wet is een nieuw artikel aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegd. Dat nieuwe artikel (artikel 7:673e BW) regelt dat een werkgever die wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid door ontbinding, opzegging of met wederzijds goedvinden een transitievergoeding heeft betaald, daarvoor wordt gecompenseerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) vanuit het Werkloosheidsfonds.

Zeker gezien de Wet compensatie transitievergoeding lijkt het standpunt van de rechtbank Overijssel geen houdbaar standpunt en dat bleek al korte tijd later. In een vergelijkbare situatie oordeelde de rechtbank in Den Haag op 28 maart 2019 dat het slapend houden van het dienstverband - afhankelijk van de omstandigheden van het geval – strijdig is met goed werkgeverschap. In de situatie waarover de rechtbank Den Haag oordeelde was er sprake van een slapende arbeidsovereenkomst zonder enig zicht op een kans dat de werknemer alsnog uit hoofde van die arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor diens werkgever zou gaan verrichten.

Enerzijds door de medische situatie van de werknemer en de vooruitzichten daarbij. Anderzijds doordat de arbeidsovereenkomst van de werknemer een lege huls was geworden. In deze specifieke situatie oordeelde de rechter dat het niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst in strijd was met goed werkgeverschap. De werkgever werd veroordeeld tot het betalen van een transitievergoeding van € 150.000.

Wij verwachten dat het laatste voorbeeld, het niet toestaan van het slapend houden van het dienstverband, regel zal worden.

Bronnen: Aegon Adfis, Rechtbank Overijssel, 21 maart 2019 en Rechtbank Den Haag, 28 maart 2019